Voorwoord
Ik herinner me het moment waarop dit boek begon, al wist ik dat toen nog niet.
Ik zat tegenover Marieke, die me vertelde over haar scheiding. Niet de feiten; die kende ik al. Ze had ze in het eerste gesprek gedeeld, geordend en helder, als een rapport dat ze voor zichzelf had geschreven. Dit was het vierde gesprek en er was iets veranderd. Ze praatte langzamer. Ze zocht naar woorden die ze eerder niet nodig had gehad. Midden in een zin stopte ze en zei: “Ik weet niet waarom ik dit hier vertel. Ik weet niet eens wat ik aan het zeggen ben.”
Ik zei niets. Ik zei niets omdat er niets te zeggen was. Alles wat ik had kunnen toevoegen — een vraag, een reflectie, een observatie — zou minder zijn geweest dan wat zich in die stilte voltrok. Dus bleef ik zitten. En zij bleef zitten. In die stilte gebeurde iets dat ik niet kan benoemen, maar dat ik sindsdien telkens weer herken: het moment waarop twee mensen samen aanwezig zijn bij iets dat geen woorden nodig heeft.
Dat moment is de kern van dit boek. Niet het zwijgen zelf — dat is een bijproduct, geen methode — maar wat eronder ligt: de bereidheid om aanwezig te zijn bij wat er is, zonder het te veranderen. De bereidheid om te blijven.
Dit boek gaat over het begeleiden van mensen. Het is geschreven vanuit de overtuiging dat de kwaliteit van die begeleiding niet in de eerste plaats afhangt van de methode die je gebruikt, al doet die er natuurlijk ook toe. Ze hangt af van iets dat moeilijker te leren is en in de meeste opleidingen stiefmoederlijk wordt behandeld: de kwaliteit van je aanwezigheid. Hoe je tegenover een ander zit. Wat je doet met je aandacht. Wat er in je eigen lichaam gebeurt terwijl de ander praat. En misschien nog meer dan dat: wat je laat. De vraag die je niet stelt. Het advies dat ongezegd blijft. De stilte waarin je blijft zitten, bij de ander en bij wat zich op dat moment aandient, terwijl alles in je wil bewegen.
Ik schrijf dit als iemand die is opgeleid in de psychologie, maar die zich in de loop der jaren steeds meer is gaan herkennen in een ander woord: beoefenaar. Niet in religieuze zin, maar in de meest letterlijke betekenis. Iemand die iets beoefent — aandacht, aanwezigheid, het vermogen om bij een moeilijkheid te blijven — wetend dat hij het nooit beheerst. Dat het steeds weer om de beoefening zelf gaat, niet om de beheersing ervan. Ook na jaren vraagt dat de bereidheid opnieuw te beginnen.
In dit boek gebruik ik het woord mindfulness voor die beoefening, bij gebrek aan een beter Nederlands woord. Dit woord draagt veel bagage met zich mee — commercieel, wetenschappelijk en spiritueel — en het eerste hoofdstuk van dit boek gaat over die bagage. Wat ik daar precies mee bedoel, ontvouwt zich gaandeweg. De vraag die door dit boek heen loopt, is wat er gebeurt wanneer je die beoefening meeneemt naar het werk met mensen, naar die momenten waarop je als begeleider tegenover een ander zit.
Voor wie schrijf ik dit boek?
Voor iedereen die met mensen werkt. Coaches, therapeuten, hulpverleners en begeleiders. Voor mensen die het als hun vak beschouwen om tegenover een ander te gaan zitten en te helpen. In dit boek gebruik ik de woorden coach en coachee als praktische aanduidingen. Lees waar nodig therapeut, begeleider, cliënt of gesprekspartner.
Maar dit boek is niet alleen voor hen. Ook wie zich herkent in de ervaring van écht luisteren naar een ander — en heeft gemerkt hoe zeldzaam en hoe krachtig dat is — is van harte welkom om mee te lezen. De ouder die tegenover een tiener zit die niet wil praten. De leidinggevende die merkt dat zijn medewerker iets zegt dat niet klopt met hoe zij erbij zit. De vriend die voelt dat er iets is, maar niet weet wat.
Al deze situaties vragen om een kwaliteit van aandacht die de meesten van ons nooit werkelijk hebben geleerd, omdat we haar zelden voorgedaan hebben gekregen.
Dit boek probeert iets van die kwaliteit zichtbaar te maken in het verslag van een zoektocht die nog niet af is.
Wat je hier niet vindt: een stapsgewijze handleiding. Dus geen protocol voor het perfecte coachgesprek, geen checklist voor effectieve interventies, geen vijfstappenmodel voor verandering. Dit boek vertrekt vanuit een andere vraag. Niet: wat moet je doen. Maar: wie ben je terwijl je het doet?
Wat je hier vindt is een oprecht onderzoek naar wat het betekent om aanwezig te zijn. Wat dat vraagt van je lichaam, van je aandacht en van je zelfkennis. Waar het misgaat. Waar het schuurt. En waarom dat de moeite waard is.
Het boek is opgebouwd uit drie delen.
DEEL I — DE BEOEFENAAR
Dit deel begint bij de beoefenaar zelf. Voordat je tegenover een ander kunt zitten met de kwaliteit van aandacht die dit boek beschrijft, moet je die aandacht eerst in je eigen leven ontwikkelen. De hoofdstukken in dit deel gaan over wat mindfulness wel en niet is, over het lichaam als bron van informatie, over de moed om zonder doel aanwezig te zijn, over wat je aantreft als je bij een moeilijkheid blijft en over compassie en haar schaduwkant.
DEEL II — DE ANDER
Dit deel verschuift de blik van de coach naar het contact. Hoe luister je werkelijk? Welke houding ondersteunt het gesprek? Hoe ontstaat er ruimte, en wat doe je ermee? Wat brengt mensen in beweging, en wat niet? En wat bouwt zich op in een traject dat meer is dan de som van zijn afzonderlijke gesprekken?
DEEL III — HET VAK
Dit deel gaat over de professionele werkelijkheid. Waar houdt coaching op en begint iets anders? Wat doe je met overdracht, met de macht die je hebt zonder het te willen, met de stress die het werk met zich meebrengt? En hoe ontwikkel je een eigen gezicht als coach, als iemand die het vak op zijn eigen manier uitoefent?
De drie delen bouwen op elkaar voort, maar kunnen ook afzonderlijk worden gelezen. Je kunt het boek van begin tot eind lezen of beginnen bij het deel dat je het meest aanspreekt. De rode draad is overal dezelfde: aanwezigheid. Het vermogen om er te zijn met volle aandacht, met een lichaam dat meedoet, met een open geest en een hart dat meebeweegt met wat de ander tegenover je vertelt, en met wat nog geen woorden heeft.
Ik schrijf dit in de Dordogne, ver van de plek waar ik jarenlang mensen heb begeleid. De afstand helpt. Ze maakt het mogelijk terug te kijken op het vak zonder de dagelijkse druk van de praktijk. Te zien wat ik goed deed en wat ik beter had kunnen doen. Eerlijk te zijn over de momenten waarop mijn aanwezigheid het verschil maakte, en over de momenten waarop ik dacht dat ze het verschil maakte, terwijl dat niet zo was.
Dat is de toon van dit boek. Niet de toon van de expert die uitlegt hoe het moet, maar van iemand die dit werk lang genoeg heeft gedaan om te weten dat hij niet alles weet — en die daar zo eerlijk mogelijk over probeert te schrijven.
Laten we beginnen.